Aspecten van werktijd- en werkplaatsregeling

  • Bijna 11% van werkenden doet avondwerk, 3% nachtwerk 

    In 2020 bedroeg het aandeel werkenden in het Vlaamse Gewest dat minstens de helft van de werkdagen avondwerk verricht 10,9%. Het aandeel schommelde rond 15% in de periode 1999-2010, gevolgd door een daling. Vanaf 2013 schommelde het aandeel rond 11%. 

    Het aandeel werkenden met nachtwerk gedurende minstens de helft van de werkdagen lag in de periode 1999-2020 veel lager dan het aandeel met avondwerk. Bovendien daalde het geleidelijk van 5,3% in 1999 tot 3,0% in 2020.  

  • Meer mannen dan vrouwen met avondwerk en nachtwerk

    In 2020 bedroeg het aandeel werkende mannen met avondwerk in het Vlaamse Gewest 12,9%, bij vrouwen 8,6%. Zowel bij mannen als bij vrouwen lag het aandeel in 2020 duidelijk lager dan in 1999. 

    Het aandeel werkende mannen met nachtwerk lag in 2020 op 3,9%, tegenover 6,8% in 1999. Bij vrouwen daalde het aandeel met nachtwerk van 3,4% in 1999 tot 2,1% in 2020.  

  • Lager aandeel werkenden met avond- en nachtwerk in Vlaams Gewest dan EU-gemiddelde

    In 2020 lag het aandeel werkenden met avondwerk in het Vlaamse Gewest (10,9%) hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (9,5%) en het Waalse Gewest (7,7%). In de Europese Unie (EU27) bedroeg het aandeel werkenden met avondwerk in 2020 gemiddeld 13,0%. Het Vlaamse Gewest scoorde dus lager dan het EU-gemiddelde. Griekenland kende met 37,6% het hoogste aandeel werkenden met avondwerk, gevolgd door Nederland (28,1%) en Finland (20,9%). Frankrijk (4,2%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Kroatië (5,7%) en Polen (6,3%).

    Het aandeel werkenden met nachtwerk lag in 2020 in het Vlaamse Gewest (3,0%) iets hoger dan in het Waalse Gewest (2,9%) en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (2,6%). In de Europese Unie (EU27) bedroeg het aandeel werkenden met nachtwerk in 2020 gemiddeld 4,5%. Dat is hoger dan in het Vlaamse Gewest. Slovakije (12,4%) had het hoogste aandeel met nachtwerk, gevolgd door Malta (9,9%)en Nederland (8,0%). Polen (1,9%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Portugal (2,2%) en Kroatië (2,4%).

  • Bijna 22% werkenden met zaterdagwerk, bijna 12% met zondagwerk

    Het aandeel werkenden in het Vlaamse Gewest dat minstens op 2 zaterdagen per maand werkt, bedroeg 21,9% in 2020, tegenover 19,1% in 1999.

    Het aandeel werkenden dat minstens op 2 zondagen per maand werkt, lag veel lager dan het aandeel met zaterdagwerk. Tussen 1999 en 2020 nam het toe van 9,8% tot 11,8%.

  • Evenveel mannen als vrouwen met zaterdagwerk, iets meer vrouwen met zondagwerk

    Bij werkende mannen lag het aandeel met zaterdagwerk in 2020 op 22,0%, bij vrouwen op 21,8%. Bij mannen steeg dat aandeel veel sterker sinds 1999.

    Het aandeel werkenden met zondagwerk lag in 2020 bij mannen op 11,3%, bij vrouwen op 12,4%. Het verschil tussen 1999 en 2020 is iets groter bij vrouwen.

  • Aandeel werkenden met zaterdag- en zondagwerk in Vlaams Gewest iets hoger dan EU-gemiddelde

    In 2020 lag het aandeel werkenden met zaterdagwerk in het Vlaamse Gewest (21,9%) iets hoger dan in het Waalse Gewest (20,8%) en veel hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (15,4%). In de Europese Unie (EU27) bedroeg het aandeel werkenden met zaterdagwerk in 2020 21,4%. Het Vlaamse Gewest bevond zich in de middengroep, iets boven het EU-gemiddelde. Er zijn zeer grote verschillen tussen de EU-landen. Griekenland (39,5%) kende het hoogste aandeel, gevolgd door Italië (31,0%) en Malta (30,2%). Hongarije (7,4%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Portugal (8,2%) en Polen (10,2%).

    In 2020 lag het aandeel werkenden met zondagwerk in het Vlaamse Gewest (11,8%) iets hoger dan in het Waalse Gewest (10,7%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (8,8%). In de Europese Unie (EU27) lag het aandeel werkenden met zondagwerk in 2020 gemiddeld op 11,4%. Het Vlaamse Gewest bevindt zich hier in de lagere middengroep, iets boven het EU-gemiddelde. De verschillen tussen de EU-landen zijn groot. Nederland (19,3%) kende het hoogste aandeel, gevolgd door Malta (17,6%), Finland (16,5%) en Ierland (16,3%). Portugal (4,6%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Polen (4,9%) en Hongarije (5,3%).

  • Ploegenarbeid bij ruim 8% werknemers, thuiswerk bij 34% werkenden

    Het aandeel werknemers met ploegenarbeid lag in het Vlaamse Gewest in 2020 op 7,7%, tegenover 10,2% in 1999. Sinds 2012 schommelde het aandeel rond 8%.

    In 1999 bedroeg het aandeel werkenden dat in mindere of meerdere mate thuiswerk nog 12,9%. Sindsdien kende het een gestage stijging tot 26,3% in 2019. In 2020 trad onder invloed van de Covid-19-pandemie een sterke stijging op tot 34,2%.

  • Veel meer mannen dan vrouwen met ploegenarbeid, iets meer vrouwen met thuiswerk

    Het aandeel werknemers met ploegenarbeid lag bij mannen in 2020 op 10,0%, tegenover 12,0% in 1999. Bij vrouwen daalde het aandeel van 7,7% in 1999 tot 5,3% in 2020.

    Tussen 1999 en 2020 steeg het aandeel werkende mannen en vrouwen met thuiswerk sterk. Bij mannen steeg het aandeel van 13,7% in 1999 tot 33,4% in 2020 en bij vrouwen van 11,9% tot 35,0%.

  • Aandeel werknemers met ploegenarbeid in Vlaams Gewest ver onder EU-gemiddelde

    In 2020 lag het aandeel werknemers met ploegenarbeid in het Vlaamse Gewest (7,7%) hoger dan in het Waalse Gewest (5,8%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (3,3%).

    In de Europese Unie (EU27) lag het aandeel werknemers dat in ploegen werkt in 2020 gemiddeld op 17,5%. Het Vlaamse Gewest bevindt zich in de groep met de laagste percentages, ver onder het EU-gemiddelde. De verschillen tussen de EU-landen zijn zeer groot. Kroatië (32,3%) had het hoogste aandeel, gevolgd door Slovenië (32,1%) en Polen (30,8%). Frankrijk (6,1%) kende het laagste percentage, voorafgegaan door België (6,7%) en Denemarken (8,5%).

  • Hoger aandeel werkenden met thuiswerk in Vlaams Gewest dan EU-gemiddelde

    In 2020 lag het aandeel werkenden dat in mindere of meerdere mate thuis werkt in het Vlaamse Gewest (34,2%) hoger dan in het Waalse Gewest (29,9%), maar beduidend lager dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (44,7%).

    In de Europese Unie (EU27) lag het aandeel werkenden met thuiswerk in 2020 gemiddeld op 21,3%. Het aandeel thuiswerkers lag in het Vlaamse Gewest dus veel hoger dan het EU-gemiddelde. De verschillen tussen de EU-landen zijn zeer groot. Luxemburg (47,8%) kende het hoogste aandeel, gevolgd door Nederland (42,7%) en Finland (40,4%). Bulgarije (3,0%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Roemenië (3,2%) en Letland (6,1%).

Bronnen

Publicatiedatum

22 april 2021

Volgende update

april 2022

Meer cijfers

Contact

Vorige versies