Bevolking in armoede of sociale uitsluiting

  • 13% van bevolking leeft in armoede of sociale uitsluiting

    Volgens de EU-SILC-enquête van 2020 leefde 13% van de inwoners van het Vlaamse Gewest in armoede of sociale uitsluiting. Dat komt overeen met 850.000 personen.

    Het gaat om personen die leven in een huishouden met een inkomen onder de armoededrempel, die leven in een huishouden met ernstige materiële deprivatie en/of die jonger zijn dan 60 jaar en leven in een huishouden met zeer lage werkintensiteit.

    De EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Wel kan gesteld worden dat het aandeel personen in armoede of sociale uitsluiting in de meest recente jaren lager ligt dan in de periode 2004-2006.

  • Hoogste aandeel personen in armoede of sociale uitsluiting bij werklozen

    Naar geslacht is het aandeel personen in armoede of sociale uitsluiting ongeveer gelijk. Dat aandeel lag in 2020 wel iets hoger bij ouderen dan bij de andere leeftijdsgroepen.

    Opgedeeld naar huishoudtype lag het aandeel in armoede of sociale uitsluiting in 2020 het hoogst bij personen in eenoudergezinnen (36%). Ook bij eenpersoonshuishoudens (25%) lag het aandeel duidelijk hoger dan gemiddeld.

    Naar socio-economische positie is het hoogste aandeel in armoede of sociale uitsluiting te vinden bij werklozen (60%) en niet-actieven (zonder gepensioneerden) (34%). Het aandeel lag in 2020 ook veel hoger bij huurders (33%) dan bij eigenaars (8%).

    Het aandeel in armoede of sociale uitsluiting neemt af naarmate het opleidingsniveau stijgt: bij hooggeschoolden ging het in 2020 om 6%, bij laaggeschoolden om 26%.

    Ten slotte varieert het aandeel in armoede of sociale uitsluiting ook naar geboorteland. Personen geboren in België kennen het laagste aandeel (11%), personen geboren buiten de Europese Unie (EU27) het hoogste aandeel (39%).

  • Aandeel in armoede of sociale uitsluiting hoogst in provincie Antwerpen, laagst in Vlaams-Brabant

    Het aandeel personen in armoede of sociale uitsluiting lag in 2020 in de provincie Antwerpen (16%) hoger dan het Vlaamse gemiddelde (13%). In Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen lag het aandeel iets lager (11%).

  • Aandeel in armoede of sociale uitsluiting in Vlaams Gewest lager dan in andere gewesten en EU-gemiddelde

    Het aandeel personen in armoede of sociale uitsluiting lag in 2019 in het Vlaamse Gewest (13%) lager dan in het Waalse Gewest (25%) en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (38%). In België lag het aandeel op 20%.

    Het aandeel personen in armoede of sociale uitsluiting lag in 2019 in de 27 landen van de Europese Unie (EU27) op 21% van de bevolking. In Tsjechië lag dat aandeel het laagst (13%), in Bulgarije het hoogst (33%).

    Cijfers voor 2020 zijn nog niet voor alle EU-landen beschikbaar.

Bronnen

Statbel: EU-SILC-survey

Eurostat: Database

Definities

Onder de armoededrempel: een huishouden heeft een inkomen onder de armoededrempel als het in het jaar voorafgaand aan de enquête beschikte over een gestandaardiseerd netto beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoededrempel, na sociale transfers (sociale zekerheids- en bijstandsuitkeringen). De armoededrempel is gelijk aan 60% van het nationaal mediaan beschikbaar huishoudinkomen.

Ernstige materiële deprivatie: een huishouden leeft in ernstige materiële deprivatie als het op het moment van de enquête minstens 4 van de volgende 9 items mist of niet kan doen omwille van financiële redenen: 
- 1 week vakantie buitenshuis per jaar
- een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen
- een wasmachine
- een kleuren-tv
- een telefoon/GSM
- een auto
- de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen
- het huis degelijk kunnen verwarmen
- een beperkte onverwachte financiële uitgave (1.100 euro) kunnen doen.

Zeer lage werkintensiteit: de werkintensiteit van het huishouden wordt berekend op basis van het totaal aantal gewerkte maanden van alle leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar (met uitzondering van studenten) in het jaar voorafgaand aan de enquête. Dat aantal gewerkte maanden wordt afgezet ten opzichte van het totaal aantal maanden dat de volwassenen in dat jaar hadden kunnen werken. Is die verhouding kleiner dan 0,2 dan wordt het huishouden beschouwd als een huishouden met zeer lage werkintensiteit.

Publicatiedatum

14 juli 2021

Volgende update

juli 2022

Meer cijfers

Contact