Bevolking in een huishouden met zeer lage werkintensiteit

  • 8% van bevolking tot 60 jaar leeft in huishouden waar niet of beperkt wordt gewerkt

    Volgens de EU-SILC-enquête van 2020 leefde 8% van de bevolking tot 60 jaar van het Vlaamse Gewest in een huishouden met zeer lage werkintensiteit

    Dat komt overeen met ongeveer 360.000 personen. Het gaat om huishoudens waar door de volwassenen niet of slechts beperkt wordt gewerkt op de arbeidsmarkt.

    De EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Wel kan gesteld worden dat het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit in de meest recente jaren lager ligt dan in de periode 2015-2016.

  • Hoogste aandeel in zeer lage werkintensiteit bij werklozen

    Naar geslacht en leeftijd blijven de verschillen op vlak van lage werkintensiteit vrij beperkt. Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2020 wel hoger dan het gemiddelde bij personen ouder dan 50 jaar.

    Opgedeeld naar huishoudtype lag het aandeel in zeer lage werkintensiteit in 2020 het hoogst bij personen in eenoudergezinnen (27%) en eenpersoonshuishoudens (24%).

    Het hoogste aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit is te vinden bij werklozen (55%). Bij niet-actieven (zonder gepensioneerden) ging het om 27%.

    Het aandeel in zeer lage werkintensiteit lag in 2020 veel hoger bij huurders (21%) dan bij eigenaars (4%).

    Ook naar opleiding zijn er duidelijke verschillen: bij de laaggeschoolden ging het om 21%, bij de hooggeschoolden om 3%.

    Ten slotte varieert het aandeel personen in zeer lage werkintensiteit ook naar geboorteland. Bij personen geboren in België ging het in 2020 om 7%, bij personen geboren buiten de EU om 19%.

  • Aandeel in zeer lage werkintensiteit hoogst in provincie Antwerpen

    Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2020 in de provincie Antwerpen (10%) iets hoger dan het Vlaamse gemiddelde (8%), in Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen (telkens 6%) iets lager dan het gemiddelde.

  • Aandeel met zeer lage werkintensiteit in Vlaams Gewest lager dan in andere gewesten en EU-gemiddelde

    Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2019 in het Vlaamse Gewest (7%) lager dan in het Waalse Gewest (17%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (24%). In België in zijn geheel lag dat aandeel op 12%.

    Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2019 in de 27 landen van de Europese Unie (EU27) op 8% van de bevolking. In Tsjechië (4%) lag het aandeel het laagst, in Griekenland (14%), Ierland (14%) en België (12%) het hoogst.

    Cijfers voor 2020 zijn nog niet voor alle EU-landen beschikbaar.

Bronnen

Statbel: EU-SILC-survey

Eurostat: Database

Definities

Werkintensiteit: de werkintensiteit van het huishouden wordt berekend op basis van het totaal aantal gewerkte maanden van alle leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar (met uitzondering van studenten) in het jaar voorafgaand aan de enquête. Dat aantal gewerkte maanden wordt afgezet ten opzichte van het totaal aantal maanden dat de volwassenen in dat jaar hadden kunnen werken. Is die verhouding kleiner dan 0,2 dan wordt het huishouden beschouwd als een huishouden met zeer lage werkintensiteit.

Publicatiedatum

14 juli 2021

Volgende update

juli 2022

Meer cijfers

Contact

Vorige versies