Consumptie en sparen

  • Totale consumptie in 2018 op 203 miljard euro

    De totale consumptie van huishoudens, overheid en instellingen zonder winstoogmerk in het Vlaamse Gewest kwam in 2018 op 203 miljard euro.

    De totale consumptie ging de afgelopen jaren steeds opwaarts. In 2009 was de toename als gevolg van de financieel-economische crisis iets zwakker. In totaal groeide de consumptie tussen 2003 en 2018 met 67% in nominale prijzen.

  • Huishoudens consumeren het meest

    Ongeveer twee derde van de totale consumptie in het Vlaamse Gewest kwam in 2018 op naam van de huishoudens. De overheid was goed voor 30%. De instellingen zonder winstoogmerk consumeerden het resterende kleine deel (1%).

    De Vlaamse huishoudens gaven het meeste geld uit aan huisvesting, water, elektriciteit, gas en andere brandstoffen (23% van de consumptie), voedingsmiddelen en drank (13%), transport en recreatie en cultuur (11%).

  • Sparen piekte in 2009

    Het totale bedrag van het bruto sparen van de Vlaamse huishoudens steeg in 2018 licht tot 23,5 miljard euro. Dat bedrag groeide aan tussen 2003 en 2009, maar daalde nadien tot 2016. Ook in de andere gewesten was 2009 een piekjaar.

  • Spaarquote daalt

    De Vlaamse bruto spaarquote van de Vlaamse huishoudens kwam in 2018 op 14,4%. De spaarquote nam aanvankelijk toe tot 22,7% in 2009, maar daalde daarna jaar na jaar.

  • Buurlanden Duitsland en Nederland hebben een hogere spaarquote

    De Vlaamse bruto spaarquote van de huishoudens lag in 2018 hoger dan de Belgische spaarquote (respectievelijk 14,4% en 11,7%).

    Luxemburg had de hoogste spaarquote, maar ook onze 3 buurlanden scoorden hoog. De spaarquote was vooral in de Zuid- en Oost-EU-landen laag. In Griekenland was de spaarquote zelfs negatief, wat wil zeggen dat de consumptie er hoger was dan het beschikbaar inkomen in 2018.

Bronnen

Nationale Bank van België: Regionale rekeningen
Eurostat: Non-financial transactions

Definities

Consumptie: consumptieve bestedingen van overheid, huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk.

Bruto sparen: bruto beschikbaar inkomen min de consumptie van huishoudens en plus de opbouw van pensioenrechten en plus de afschrijvingen van woningen.

Bruto spaarquote: de verhouding tussen (1) het bruto sparen en (2) het bruto beschikbaar inkomen plus de opbouw van pensioenrechten.

Instellingen zonder winstoogmerk: instellingen met rechtspersoonlijkheid die voor de burgers werken en niet-marktproducent zijn. Het gaat om vakbonden, consumentenverenigingen, religieuze organisaties, hulporganisaties.

Lopende prijzen: prijzen van het betrokken jaar, niet gecorrigeerd voor de inflatie.

Publicatiedatum

9 april 2021

Volgende update

april 2022

Meer cijfers

Contact

Vorige versies