Leerlingenkenmerken

  • Thuistaal niet-Nederlands bij 1 op 4 leerlingen kleuteronderwijs en 1 op 5 leerlingen lager onderwijs

    In het schooljaar 2018-2019 had 21% van de leerlingen in het gewoon kleuteronderwijs een laagopgeleide moeder en ontving 22% een schooltoelage. Daarnaast had 24% van de kleuters een niet-Nederlandse thuistaal en woonde 27% in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging.

    Deze 4 kenmerken (laagopgeleide moeder, schooltoelage, thuistaal niet-Nederlands en wonen in buurt met een hoge mate van schoolse vertraging) worden de leerlingenkenmerken genoemd. Het zijn deze kenmerken die het sociaal profiel van een school bepalen.

    In het gewoon lager onderwijs had in het schooljaar 2018-2019 21% van de leerlingen een laagopgeleide moeder en een even grote groep niet het Nederlands als thuistaal. Daarnaast ontving 27% een schooltoelage en woonde 24% in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging.

    Het aandeel leerlingen met een laagopgeleide moeder is zowel in het kleuter- als in het lager onderwijs sinds het schooljaar 2009-2010 weinig veranderd. Bij het aandeel leerlingen met thuistaal niet-Nederlands is er telkens sprake van een duidelijke stijging. Ook het aandeel dat een schooltoelage ontvangt, is in het kleuter- en lager onderwijs toegenomen, maar in mindere mate dan het aandeel leerlingen met thuistaal niet-Nederlands.

  • In deeltijds secundair onderwijs tikken meer leerlingen aan op leerlingenkenmerken dan in voltijds secundair

    Er zijn grote verschillen naar leerlingenkenmerken tussen het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs. Bij alle leerlingenkenmerken ligt het aandeel leerlingen dat minder gunstig scoort hoger in het deeltijds onderwijs dan in het voltijds onderwijs.

    Het grootst is het verschil op het kenmerk laagopgeleide moeder. In het deeltijds onderwijs had in het schooljaar 2018-2019 57% een laagopgeleide moeder tegenover 22% in het voltijds onderwijs. Een groot verschil is er ook op vlak van het buurtkenmerk. In het deeltijds onderwijs woont 44% in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging. Dat is beduidend meer dan het aandeel van 25% in het volledige gewoon secundair onderwijs. Voor thuistaal niet-Nederlands lagen de aandelen in het schooljaar 2018-2019 op 31% in het deeltijds en 17,5% in het voltijds secundair onderwijs, voor het ontvangen van een schooltoelage op 46,5% en 30%.

    De aandelen zijn sinds 2009-2010 weinig veranderd in het voltijds onderwijs. Alleen het aandeel leerlingen met thuistaal niet-Nederlands is gestaag gestegen. Dat is ook het geval in het deeltijds onderwijs. In het deeltijds onderwijs was er daarnaast sprake van een sterke stijging van het aandeel leerlingen met een schooltoelage. Het aandeel leerlingen met een laagopgeleide moeder en het aandeel dat voldoet aan de buurtindicator is in het deeltijds onderwijs sinds het schooljaar 2009-2010 echter gedaald.

  • Leerlingen uit Brussels Gewest tikken meer aan dan leerlingen uit Vlaams Gewest

    Leerlingen die wonen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest tikken meer aan op de leerlingenkenmerken dan leerlingen die wonen in het Vlaamse Gewest. Die vaststelling geldt voor alle leerlingenkenmerken en voor alle onderwijsniveaus, met uitzondering van het aandeel leerlingen met schooltoelage in het deeltijds secundair. Het gaat hier voor beide gewesten enkel om leerlingen ingeschreven in het Nederlandstalige onderwijs.

    Vrijwel alle leerlingen uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wonen in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging. Ook het aandeel leerlingen met thuistaal niet-Nederlands ligt telkens veel hoger bij leerlingen uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dan bij leerlingen uit het Vlaamse Gewest.

  • OKAN-leerlingen en BSO-leerlingen tikken vaakst aan, ASO-leerlingen minst vaak

    Van de leerlingen in het voltijds secundair onderwijs tikken leerlingen uit het onthaalonderwijs anderstalige nieuwkomers (OKAN) en uit het beroepssecundair onderwijs (BSO) het vaakst aan op de leerlingenkenmerken, leerlingen uit het algemeen secundair onderwijs (ASO) het minst vaak. De grootste verschillen tussen het BSO en ASO zijn er in het aandeel leerlingen met een laagopgeleide moeder en in het aandeel dat een schooltoelage krijgt. Naar thuistaal en buurt zijn de verschillen minder groot.
    De verschillen tussen OKAN en ASO zitten - naast de thuistaal - vooral in het hoger aandeel OKAN-leerlingen met een laagopgeleide moeder.

Bronnen

Definities

Laagopgeleide moeder: een leerling tikt aan op dit leerlingenkenmerk als de moeder maximaal lager secundair onderwijs afgewerkt heeft. Als het opleidingsniveau niet gekend is, tikt de leerling niet aan.
Buurt met een hoge mate van schoolse vertraging: een leerling tikt aan op dit leerlingenkenmerk als de leerling behoort tot de 25% leerlingen die in de buurten met de hoogste schoolse vertraging wonen. De schoolse vertraging van een buurt wordt berekend als het aandeel 15-jarige leerlingen van de 6 afgelopen schooljaren, woonachtig in de buurt, met een schoolse vertraging van 2 jaar of meer. Leerlingen die behoren tot de trekkende bevolking en thuislozen tikken altijd aan op deze indicator.
Merk op dat in het volledige secundair onderwijs en in het volledige basisonderwijs er per definitie steeds 25% van de leerlingen zullen aantikken op deze indicator. Evoluties over de jaren van het totaal aantal leerlingen dat scoort op de indicator zijn dus niet zinvol om te bekijken. Het is wel zinvol om de verhouding tussen groepen te bekijken binnen het basis- of binnen het secundair onderwijs.

Niet-Nederlandse thuistaal: in het Vlaams onderwijs is de taal die een leerling in het gezin spreekt niet-Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid Nederlands spreekt. Broers en zussen worden hierbij als één gezinslid beschouwd.

Publicatiedatum

9 maart 2020

Volgende update

november 2020

Meer cijfers

Contact

Vorige versies