Persoonlijk inkomen

  • Netto persoonlijk inkomen gemiddeld op 1.903 euro per maand

    In 2020 lag het netto persoonlijk inkomen van de Vlaamse bevolking van 18 jaar en ouder gemiddeld op 1.903 euro per maand. In 2006 ging het om 1.607 euro per maand. Dat komt overeen met een stijging van 18% of 1,2% per jaar.  

    Het gaat om de som van beroepsinkomens, inkomens uit sociale zekerheid/bijstand en andere inkomens. Het betreft netto inkomens waarbij de directe belastingen en bijdragen voor de sociale zekerheid in mindering zijn gebracht. Het gaat bovendien om bedragen in reële termen. Dat wil zeggen dat de bedragen gecorrigeerd zijn voor de inflatie.  

    Het persoonlijk inkomen bestond in 2020 gemiddeld voor de hele bevolking van 18 jaar en ouder voor 70% uit beroepsinkomen, voor 22% uit pensioenen, voor 3% uit werkloosheidsuitkeringen en voor 5% uit andere inkomsten. Het procentueel aandeel van het beroepsinkomen in het gemiddeld persoonlijk inkomen daalde licht tussen 2006 en 2020, net als het aandeel van de werkloosheidsuitkeringen. Het aandeel van de pensioenen daarentegen steeg in dezelfde periode. 

  • Meer personen met hoger persoonlijk inkomen in 2020 dan in 2006

    Algemeen gezien hadden in 2020 meer personen een hoger persoonlijk inkomen dan in 2006. In 2020 lag bij ruim 57% van de bevolking het persoonlijk inkomen lager dan 2.000 euro per maand, tegenover bij 68% in 2006.  

    Bijna 6% van de bevolking van 18 jaar en ouder had in 2020 geen persoonlijk inkomen, tegenover 15% in 2006. Bij 14% van de bevolking lag het persoonlijk inkomen in 2020 tussen 1 en 1.000 euro, evenveel als in 2006. De groep met een inkomen van 1.000 tot 2.000 euro per maand telde in 2020 37% van de bevolking van 18 jaar en ouder, tegenover 39% in 2006.  

    Bij 31% van de bevolking van 18 jaar en ouder lag het persoonlijk inkomen in 2020 tussen 2.000 en 3.000 euro per maand. In 2006 was dat nog 23%. 12% van de bevolking had in 2020 een persoonlijk inkomen van meer dan 3.000 euro per maand, tegenover 9% in 2006.  

  • Sterkere toename van persoonlijk inkomen bij vrouwen

    Het gemiddeld netto persoonlijk inkomen van mannen van 18 jaar en ouder lag in 2020 op 2.186 euro, dat van vrouwen op 1.626 euro. Het persoonlijk inkomen steeg bij mannen tussen 2006 en 2020 met 6%, terwijl het bij vrouwen met 39% toenam. Daardoor verminderde het verschil tussen mannen en vrouwen van 893 euro in 2006 tot 560 euro in 2020. 

    Bij mannen daalde het aandeel van het beroepsinkomen in het totaal persoonlijk inkomen van gemiddeld 75% in 2006 tot 71% in 2020. Bij vrouwen daalde het van 70% tot 69%. Bij beide groepen steeg het aandeel van de pensioenen en daalde het aandeel van de werkloosheidsuitkeringen.  

  • Laagste persoonlijk inkomen bij 18- tot 34-jarigen

    Het gemiddeld persoonlijk inkomen lag in 2020 bij de 18- tot 34-jarigen op 1.448 euro per maand. Dat is beduidend lager dan bij de 35- tot 49-jarigen (2.407 euro per maand) en de 50- tot 64-jarigen (2.251 euro). Het lag iets lager dan bij de 65-plussers (1.504 euro).  

    Tussen 2006 en 2020 steeg het gemiddelde persoonlijk inkomen het sterkst bij de 65-plussers en de 50- tot 64-jarigen (+28%), gevolgd door de 35- tot 49-jarigen (+15%) en de 18- tot 34-jarigen (+12%). 

    Het aandeel van het beroepsinkomen in het persoonlijk inkomen lag in 2020 gemiddeld op 93% bij de 18- tot 34-jarigen, op 92% bij de 35- tot 49-jarigen, op 79% bij de 50- tot 64-jarigen en op bijna 4% bij de 65-plussers. Bij de 50- tot 64-jarigen nam dat aandeel sterk toe tussen 2006 en 2020, terwijl het aandeel van de pensioenen en werkloosheidsuitkeringen bij deze groep sterk daalde. Ook bij de 65-plussers steeg het aandeel van het beroepsinkomen en daalde dat van de pensioenen.  

  • Veel hoger persoonlijk inkomen bij hooggeschoolden

    Het gemiddeld netto persoonlijk inkomen van hooggeschoolden lag in 2020 gemiddeld op 2.405 euro per maand. Bij middengeschoolden bedroeg het 1.682 euro per maand en bij laaggeschoolden 1.324 euro. 

    Tussen 2006 en 2020 nam het netto persoonlijk inkomen bij laaggeschoolden toe met 16%, bij middengeschoolden met 16% en bij hooggeschoolden met 5%. 

    Het aandeel van het beroepsinkomen in het persoonlijk inkomen daalde bij laaggeschoolden van gemiddeld 42% in 2006 tot 33% in 2020. Bij middengeschoolden daalde dat aandeel van 79% in 2006 tot 68% in 2020 en bij hooggeschoolden van 85% tot 82%. Bij alle onderwijscategorieën daalde het aandeel van de werkloosheidskeringen terwijl het aandeel van de pensioenen fors toenam.  

  • Lager persoonlijk inkomen bij personen met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

    In 2020 hadden personen met hinder wegens een handicap of een langdurig gezondheidsprobleem een persoonlijk inkomen van gemiddeld 1.556 euro per maand. Bij personen zonder hinder ging het om 2.010 euro per maand.  

    Tussen 2006 en 2020 steeg het persoonlijk inkomen zowel bij personen met hinder als bij personen zonder hinder met bijna 19%.  

    Bij personen met hinder bestond het persoonlijk inkomen in 2020 gemiddeld voor 36% uit beroepsinkomen, voor 42% uit pensioenen, voor 4% uit werkloosheidsuitkeringen en voor 18% uit andere inkomsten (vooral uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid, ziekte en invaliditeit).  
    Bij personen zonder hinder lag het aandeel van het beroepsinkomen in 2020 op 78%, naast 17% pensioenen, 3% werkloosheidsuitkeringen en 2% andere inkomsten.  

  • Lager persoonlijk inkomen bij personen geboren buiten EU

    In 2020 lag het netto persoonlijk inkomen bij personen die buiten de Europese Unie (EU) zijn geboren gemiddeld op 1.417 euro per maand. Bij personen geboren in België bedroeg het 1.945 euro en bij personen geboren in een ander EU-land dan België op 1.812 euro. 

    Het persoonlijk inkomen van personen geboren buiten de EU steeg tussen 2006 en 2020 met 18%. Bij personen geboren in België nam het toe met 20% en bij personen geboren in de EU (buiten België) met 11%.  

    Bij personen geboren buiten de EU bestond het persoonlijk inkomen in 2020 gemiddeld voor 81% uit beroepsinkomen, voor 6% uit pensioenen, voor ruim 5% uit werkloosheidsuitkeringen en voor 7% uit andere inkomsten. Bij personen geboren in België lag het aandeel van het beroepsinkomen in 2020 op 69%, naast 23% pensioenen, 3% werkloosheidsuitkeringen en 5% andere inkomsten. Bij personen geboren in de EU (buiten België) bedroegen die aandelen respectievelijk 73%, 14%, 6% en 7%.  

  • Laagste persoonlijk inkomen in Waals Gewest

    In 2020 lag het gemiddeld netto persoonlijk inkomen in het Vlaamse Gewest (1.903 euro per maand) beduidend hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (1.700 euro) en in het Waalse Gewest (1.659 euro).  

    Het persoonlijk inkomen in het Vlaams Gewest steeg met 18% in de periode 2006-2020, in het Waalse Gewest met 10% en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met bijna 2%.  

    In het Vlaamse Gewest bestond het persoonlijk inkomen in 2020 gemiddeld voor 70% uit beroepsinkomen, voor 22% uit pensioenen, voor 3% uit werkloosheidsuitkeringen en voor 5% uit andere inkomsten. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest lag het aandeel van het beroepsinkomen in 2020 gemiddeld op 76%, naast 14% pensioenen, 6% werkloosheidsuitkeringen en 4% andere inkomsten. In het Waalse Gewest bedroegen die aandelen respectievelijk 66%, 22%, 5% en 7%.  

Bronnen

Statbel: EU-SILC-survey

Definities

Persoonlijk inkomen: de totale vergoeding (in geld of natura) die een persoon (maandelijks) kan ontvangen. Het omvat 4 soorten inkomens: het beroepsinkomen, de werkloosheidsuitkering, het overheidspensioen (ouderdomspensioen en overlevingspensioen) en andere inkomens (uitkering voor arbeidsongeschiktheid, uitkering voor ziekte en invaliditeit en vergoeding verbonden aan studie of opleiding).

Publicatiedatum

5 augustus 2021

Volgende update

augustus 2022

Meer cijfers

Contact

Vorige versies