Persoonlijk inkomen

  • Netto persoonlijk inkomen gemiddeld op 1.842 euro per maand

    In 2019 lag het netto persoonlijk inkomen van de Vlaamse bevolking van 18 jaar en ouder gemiddeld op 1.842 euro per maand. In 2006 ging het om 1.584 euro per maand. Dat komt overeen met een stijging van 16% of 1,2% per jaar.  

    Het gaat om de som van beroepsinkomens, inkomens uit sociale zekerheid/bijstand en andere inkomens. Het betreft netto inkomens waarbij de directe belastingen en bijdragen voor de sociale zekerheid in mindering zijn gebracht. Het gaat bovendien om bedragen in reële termen. Dat wil zeggen dat de bedragen gecorrigeerd zijn voor de inflatie.  

    Het persoonlijk inkomen bestond in 2019 gemiddeld voor 70% uit beroepsinkomen, voor 22% uit pensioenen, voor 3% uit werkloosheidsuitkeringen en voor 5% uit andere inkomsten.   

    Het procentueel aandeel van het beroepsinkomen in het persoonlijk inkomen daalde licht tussen 2006 en 2019, net als het aandeel van de werkloosheidsuitkeringen. Het aandeel van de pensioenen daarentegen steeg in dezelfde periode. 

  • Meer personen met hoger persoonlijk inkomen in 2019 dan in 2006

    Algemeen gezien hadden in 2019 meer personen een hoger persoonlijk inkomen dan in 2006. In 2019 lag bij 59% van de bevolking het persoonlijk inkomen lager dan 2.000 euro per maand, tegenover bij 69% in 2006.  

    Bijna 6% van de bevolking van 18 jaar en ouder had in 2019 geen persoonlijk inkomen, tegenover 15% in 2006. Bij 14% van de bevolking lag het persoonlijk inkomen in 2019 tussen 1 en 1.000 euro, evenveel als in 2006. De groep met een inkomen van 1.000 tot 2.000 euro per maand telde in 2019 bijna 39% van de bevolking van 18 jaar en ouder. Dat is ongeveer evenveel als in 2006.  

    Bij 30% van de bevolking van 18 jaar en ouder lag het persoonlijk inkomen in 2019 tussen 2.000 en 3.000 euro per maand. In 2006 was dat nog 22%. Ruim 11% van de bevolking had in 2019 een persoonlijk inkomen van meer dan 3.000 euro per maand, tegenover bijna 9% in 2006. 

  • Sterkere toename van persoonlijk inkomen bij vrouwen

    Het netto persoonlijk inkomen van mannen van 18 jaar en ouder lag in 2019 op 2.167 euro. Het persoonlijk inkomen steeg bij mannen tussen 2006 en 2019 met 7%. Bij vrouwen nam het persoonlijk inkomen veel sterker toe (+33%). In 2019 ging het om 1.528 euro in 2019. Daardoor verminderde het verschil tussen mannen en vrouwen van 880 euro in 2006 tot 640 euro in 2019. 

    Bij mannen daalde het aandeel van het beroepsinkomen in het totaal persoonlijk inkomen, terwijl het bij vrouwen constant bleef. Bij beide groepen steeg het aandeel van de pensioenen en daalde het aandeel van de werkloosheidsuitkeringen.  

  • Laagste persoonlijk inkomen bij 18- tot 34-jarigen

    Het persoonlijk inkomen lag in 2019 bij de 18- tot 34-jarigen op 1.363 euro per maand. Dat is lager dan bij de oudere leeftijdsgroepen. Bij de 35- tot 49-jarigen bedroeg het 2.314 euro per maand, bij de 50- tot 64-jarigen 2.199 euro en bij de 65-plussers 1.480 euro.  

    Tussen 2006 en 2019 steeg het gemiddelde persoonlijk inkomen het sterkst bij de 65-plussers (+28%), gevolgd door de 50- tot 64-jarigen (+26%), de 35- tot 49-jarigen (+12%) en de 18- tot 34-jarigen (+7%). 

    Het aandeel van het beroepsinkomen in het persoonlijk inkomen lag in 2019 op 93% bij de 18- tot 34-jarigen en de 35- tot 49-jarigen, op 78% bij de 50- tot 64-jarigen en op bijna 5% bij de 65-plussers. Bij de 50- tot 64-jarigen nam dat aandeel sterk toe tussen 2006 en 2019, terwijl het aandeel van de pensioenen en werkloosheidsuitkeringen bij deze groep sterk daalde. Ook bij de 65-plussers steeg het aandeel van het beroepsinkomen en daalde dat van de pensioenen.  

  • Veel hoger persoonlijk inkomen bij hooggeschoolden

    Het netto persoonlijk inkomen van hooggeschoolden lag in 2019 gemiddeld op 2.384 euro per maand. Bij middengeschoolden bedroeg het 1.635 euro per maand en bij laaggeschoolden 1.285 euro. 

    Tussen 2006 en 2019 nam het netto persoonlijk inkomen bij middengeschoolden en laaggeschoolden toe met 14%, bij hooggeschoolden met 6%. 

    Het aandeel van het beroepsinkomen in het persoonlijk inkomen daalde bij laaggeschoolden van 42% in 2006 tot 34% in 2019. Bij middengeschoolden daalde dat aandeel van 79% in 2006 tot 69% in 2019 en bij hooggeschoolden van 85% tot 82%. Bij alle onderwijscategorieën daalde het aandeel van de werkloosheidskeringen terwijl het aandeel van de pensioenen fors toenam.  

  • Lager persoonlijk inkomen bij personen met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

    In 2019 hadden personen met hinder wegens een handicap of een langdurig gezondheidsprobleem een persoonlijk inkomen van gemiddeld 1.537 euro per maand. Bij personen zonder hinder ging het om 1.954 euro per maand.  

    Tussen 2006 en 2019 steeg het persoonlijk inkomen bij personen met hinder (+19%) iets meer dan bij personen zonder hinder (+17%).  

    Bij personen met hinder bestond het persoonlijk inkomen in 2019 voor 40% uit beroepsinkomen, voor 40% uit pensioenen, voor 4% uit werkloosheidsuitkeringen en voor 16% uit andere inkomsten (vooral uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid, ziekte en invaliditeit).  
    Bij personen zonder hinder lag het aandeel van het beroepsinkomen in 2019 op 79%, naast 16% pensioenen, 3% werkloosheidsuitkeringen en 2% andere inkomsten.  

  • Lager persoonlijk inkomen bij personen geboren buiten EU

    In 2019 lag het netto persoonlijk inkomen bij personen die buiten de Europese Unie (EU) zijn geboren gemiddeld op 1.328 euro per maand. Bij personen geboren in België bedroeg het 1.891 euro en bij personen geboren in een ander EU-land dan België op 1.777 euro. 

    Het persoonlijk inkomen van personen geboren buiten de EU steeg tussen 2006 en 2019 met 12%. Bij personen geboren in België nam het toe met 18% en bij personen geboren in de EU (buiten België) met 10%.  

    Bij personen geboren buiten de EU bestond het persoonlijk inkomen in 2019 voor 79% uit beroepsinkomen, voor 7% uit pensioenen, voor ruim 6% uit werkloosheidsuitkeringen en voor 7% uit andere inkomsten. Bij personen geboren in België lag het aandeel van het beroepsinkomen in 2019 op 69%, naast 23% pensioenen, 3% werkloosheidsuitkeringen en 5% andere inkomsten. Bij personen geboren in de EU (buiten België) bedroegen die aandelen respectievelijk 78%, 13%, 4% en 5%.  

  • Laagste persoonlijk inkomen in Waals Gewest

    In 2019 lag het gemiddeld netto persoonlijk inkomen in het Vlaamse Gewest (1.842 euro per maand) beduidend hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (1.586 euro) en in het Waalse Gewest (1.619 euro).  

    Het persoonlijk inkomen in het Vlaams Gewest steeg met 16% in de periode 2006-2019 en in het Waalse Gewest met ruim 8%. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest daalde het inkomen met 4%.  

    In het Vlaamse Gewest bestond het persoonlijk inkomen in 2019 voor 70% uit beroepsinkomen, voor 22% uit pensioenen, voor 3% uit werkloosheidsuitkeringen en voor 5% uit andere inkomsten.  In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest lag het aandeel van het beroepsinkomen in 2019 op 74%, naast 15% pensioenen, 6% werkloosheidsuitkeringen en 5% andere inkomsten. In het Waalse Gewest bedroegen die aandelen respectievelijk 65%, 23%, 5% en 7%.  

Bronnen

Statbel: EU-SILC-survey

Definities

Persoonlijk inkomen: de totale vergoeding (in geld of natura) die een persoon (maandelijks) ontvangt. Het omvat 4 soorten inkomens: het beroepsinkomen, de werkloosheidsuitkering, het overheidspensioen (ouderdomspensioen en overlevingspensioen) en andere inkomens (uitkering voor arbeidsongeschiktheid, uitkering voor ziekte en invaliditeit en vergoeding verbonden aan studie of opleiding).

Publicatiedatum

17 december 2020

Volgende update

5 augustus 2021

Meer cijfers

Contact

Vorige versies