Bevolking naar socio-economische positie (op basis van EAK-enquête)

  • Bijna 70% van 15- tot 64- jarigen aan het werk

    Op basis van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) kan de bevolking van 15 tot 64 jaar worden opgedeeld naar socio-economische positie. Daarbij wordt aangegeven of een persoon werkt, werkloos is of niet-beroepsactief is op de arbeidsmarkt, volgens de definities van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO).

    In 2020 werkte 69,4% van de Vlaamse bevolking van 15 tot 64 jaar. Dat is beduidend meer dan in 1999 (62,1%) maar wel iets minder dan in 2019 (70,3%).  
    Het aandeel van de niet-beroepsactieve bevolking daalde van 34,3% in 1999 tot 28,1% in 2020.  
    Het aandeel werklozen schommelde in de periode 1999-2020 tussen 2,4% en 3,8%. In 2020 lag dat aandeel op 2,5%. 

  • Aandeel werkenden sterker gestegen bij vrouwen dan bij mannen

    Het aandeel werkenden in de mannelijke bevolking van 15 tot 64 jaar steeg van 71,0% in 1999 tot 72,7% in 2020. Bij vrouwen steeg het aandeel werkenden sterker, van 52,9% in 1999 tot 66,0% in 2020.  

    Omgekeerd daalde het aandeel niet-beroepsactieve mannen van 25,7% in 1999 tot 24,7% in 2020, terwijl het aandeel niet-beroepsactieve vrouwen sterker daalde, van 43,2% in 1999 tot 31,5% in 2020.  

    Het aandeel werklozen daalde bij mannen van 3,3% in 1999 tot 2,6% in 2020, bij vrouwen van 3,8% tot 2,4%. 

  • 87% van 35- tot 49-jarigen aan het werk

    De leeftijdsgroep 15 tot 34 jaar telde in 2020 58,9% werkende personen, 3,5% werklozen en 37,6% niet-beroepsactieve personen. In 1999 ging het om 61,7% werkenden, 4,7% werklozen en 33,6% niet-beroepsactieve personen.

    In de leeftijdsgroep 35 tot 49 jaar had in 2020 87,2% een betaalde baan, terwijl 2,3% werkloos en 10,6% niet-beroepsactief was. Van deze leeftijdsgroep werkte in 1999 81,0%, 3,7% was werkloos en 15,3% was niet-beroepsactief.

    De leeftijdsgroep 50 tot 64 jaar kende de grootste veranderingen. In 2020 had 64,7% een betaalde baan en 33,6% was niet-beroepsactief. In 1999 werkte maar 38,0% en was 60,4% niet-beroepsactief. Het aandeel werklozen bleef relatief stabiel en lag in 2020 (1,7%) nagenoeg even hoog als in 1999 (1,6%).

  • Grote verschillen naar onderwijsniveau

    De socio-economische posities bij de 25- tot 64-jarigen vertonen grote verschillen naar onderwijsniveau. Van de laaggeschoolden werkte in 2020 53,7%, tegenover 77,3% van de middengeschoolde personen en 88,1% van de hooggeschoolden. Bij de laaggeschoolden is het aandeel werkenden sinds 1999 het sterkst toegenomen (+1,7 procentpunten).

    Bij de laaggeschoolden was 43,6% niet beroepsactief in 2020, nagenoeg hetzelfde percentage als in 1999 (43,8%). Bij de middengeschoolden steeg het aandeel niet-beroepsactieve personen van 19,7% in 1999 tot 20,3% in 2020. Bij de hooggeschoolden daalde het aandeel van 10,6% in 1999 tot 9,7% in 2020.

    Het percentage werklozen lag bij de laaggeschoolden in 2020 op 2,7%, tegenover 4,2% in 1999. Bij de middengeschoolden daalde het aandeel werklozen van 2,9% in 1999 tot 2,3% in 2020. Bij de hooggeschoolden lag het aandeel in 2020 op 2,1%, iets hoger dan in 1999 (1,9%).

  • Laagste aandeel werkenden bij alleenstaanden met kinderen

    In 2020 lag het aandeel werkenden bij alleenstaanden zonder kinderen ten laste op 70,4%. Bij alleenstaanden met kinderen bedroeg het aandeel werkenden 55,4%, bij koppels zonder kinderen 69,8% en bij koppels met kinderen 72,2%. De sterkste stijging tegenover 2012 was er bij koppels zonder kinderen (+8,5 procentpunten).   

    Het aandeel niet-beroepsactieve personen lag in 2020 het hoogst bij alleenstaanden met kinderen (41,2%). Bij alleenstaanden zonder kinderen bedroeg het aandeel 25,3%, bij koppels zonder kinderen 28,8% en bij koppels met kinderen van 25,5%. De sterkste daling tegenover 2012 was er bij koppels zonder kinderen (-7,9 procentpunten).  

    Het aandeel werklozen lag in 2020 het hoogst bij alleenstaanden zonder kinderen (4,3%), gevolgd door alleenstaanden met kinderen (3,4%), koppels met kinderen (2,3%) en koppels zonder kinderen (1,5%). Het aandeel werklozen lag voor alle huishoudtypes in 2020 iets lager dan in 2012.  

  • Veel lager aandeel werkenden bij personen met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

    In 2020 werkte 45,0% van de personen met hinder wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem, tegenover 36,7% in 2009. Het aandeel werklozen bij deze groep daalde van 4,7% in 2009 tot 2,6% in 2020 en het aandeel niet-beroepsactieve personen van 58,6% tot 52,4%.

    Bij personen zonder hinder steeg het aandeel werkenden van 69,4% in 2009 tot 73,5% in 2020. Het aandeel werklozen verminderde van 3,3% in 2009 tot 2,5% in 2020 en het aandeel niet-beroepsactieve personen van 27,3% tot 24,0%.

  • Lager aandeel werkenden bij personen geboren buiten de EU

    In 2020 was 70,4% van de personen geboren in België aan het werk, 2,1% was werkloos en 27,5% niet-beroepsactief. In 2007 was 67,1% aan het werk, 2,7% werkloos en 30,2% niet-beroepsactief.

    Bij personen geboren in een ander land van de Europese Unie (EU28) lag het aandeel werkenden in 2020 op 72,6%, tegenover 61,2% in 2007. Het aandeel werklozen daalde van 4,5% in 2007 naar 4,0% in 2020 en het aandeel niet-beroepsactieven van 34,3% naar 23,4%.

    Van de personen die buiten de EU28 zijn geboren werkte in 2020 57,0%, tegenover 48,6% in 2007. Het aandeel werklozen daalde van 9,0% in 2007 naar 6,0% in 2020 en het aandeel niet-beroepsactieve personen van 42,4% naar 37,0%.

  • Aandeel werkenden in Vlaams Gewest iets boven EU-gemiddelde

    In 2020 lag het aandeel werkende personen in de bevolking van 15 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest (69,4%) hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (56,5%) en het Waalse Gewest (59,2%). Het aandeel werklozen en niet-beroepsactieve personen lag in het Vlaamse Gewest duidelijk lager dan in de andere gewesten.

    Algemeen genomen werkte in de Europese Unie (EU27) in 2020 67,6% van de bevolking van 15 tot 64 jaar, terwijl 5,2% werkloos en 27,1% niet-beroepsactief was. Het Vlaamse Gewest kende een iets hoger aandeel werkende personen dan het EU-gemiddelde, samen met een lager aandeel werklozen en een iets hoger aandeel niet-beroepsactieve personen. In Nederland (77,8%) lag het aandeel werkende personen het hoogst, gevolgd door Duitsland (76,2%) en Zweden (75,5%). In Griekenland lag het aandeel werkenden (56,3%) het laagst en ook het aandeel werklozen lag er erg hoog (11,1%). Alleen Spanje kende een nog hoger aandeel werklozen (11,3%).

Bronnen

Definities

Werkende persoon: volgens de definities van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) is een persoon werkend indien die tijdens de referentieweek minstens een uur heeft gewerkt voor loon of winst of gezinswinst of indien die tijdens de referentieweek niet aan het werk was, maar een baan of een eigen bedrijf had waar die tijdelijk niet aanwezig was.

Werkloze persoon: iemand wordt volgens de ILO-definitie als werkloos beschouwd als hij of zij geen werk heeft, de afgelopen vier weken actief gezocht heeft naar werk en onmiddellijk beschikbaar is voor de arbeidsmarkt (binnen de twee weken aan een nieuwe job kan beginnen). Daarbij worden ook de niet-werkenden gerekend die een job gevonden hebben die pas binnen drie maanden start.

Niet-beroepsactieve persoon: een persoon die niet tot de ILO-werkenden noch tot de ILO-werklozen behoort.

Publicatiedatum

20 april 2021

Volgende update

april 2022

Meer cijfers

Contact

Vorige versies