Type arbeidscontract

  • Bijna 8% van werknemers heeft tijdelijk arbeidscontract

    In 2020 lag het aandeel werknemers van 20 tot 64 jaar met een tijdelijk arbeidscontract in het Vlaamse Gewest op 7,9%. Dat aandeel daalde van 8,4% in 1999 tot 6,0% in 2012. Het steeg daarna tot 8,4% in 2019, gevolgd door een lichte daling in 2020.

  • Hoogste aandeel contracten van bepaalde duur, sterkste stijging bij studentenarbeid

    De werknemers met een tijdelijk arbeidscontract kunnen worden opgesplitst naar de aard van het tijdelijk contract. 

    In 2020 had 53,1% van de werknemers met een tijdelijk arbeidscontract een contract van bepaalde duur. In 1999 was dat nog 64,2%.  
    Het aandeel werknemers met uitzendarbeid steeg van 18,4% in 1999 tot 27,9% in 2019, maar daalde in 2020 tot 24,4%.  
    Het aandeel met een contract in het systeem van dienstencheques of PWA daalde van 8,5% in 1999 tot 3,3% in 2020.  
    In 2020 had 5,3% een stage- of leercontract, tegenover 6,5% in 1999.  
    Het aandeel van de studentencontracten steeg de laatste jaren in sneltempo: terwijl het aandeel in 1999 slechts 2,4% bedroeg, ging het in 2020 om 13,9%. Dat is ongeveer hetzelfde niveau als het jaar voordien (14,0%). 

  • Hoger aandeel vrouwen met tijdelijk arbeidscontract

    Het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract schommelde bij mannen in het Vlaamse Gewest tussen 1999 en 2013 rond 5%. Daarna steeg dat aandeel tot 7,6% in 2019, gevolgd door een lichte daling tot 7,0% in 2020. Bij vrouwen daalde het aandeel werknemers met een tijdelijk contract van 12,2% in 1999 tot 6,9% in 2013. Daarna steeg het aandeel tot 9,3% in 2018, maar het zakte weer tot 8,9% in 2020. In 2020 lag het aandeel met een tijdelijk arbeidscontract bij vrouwen bijna 2 procentpunten hoger dan bij mannen. In 2012 bedroeg dat verschil nog 6,6 procentpunten.

  • Veel hoger aandeel met tijdelijk arbeidscontract bij jongeren

    Het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract lag met 16,4% in 2020 veel hoger bij de 20- tot 34-jarigen dan bij de andere leeftijdsgroepen. Dat was het geval in de hele periode 1999-2020 en het verschil nam vanaf 2013 nog verder toe. Bij de 35- tot 49-jarigen daalde het aandeel met een tijdelijk contract van 5,3% in 1999 tot 3,3% in 2012. Daarna steeg het aandeel tot 5,3% in 2018, maar het daalde weer tot 4,5% in 2020. Bij de 50- tot 64-jarigen steeg het aandeel eerst van 2,9% in 1999 tot 4,3% in 2007, gevolgd door een daling tot 2,5% in 2012. Daarna klom het aandeel weer naar 3,5% in 2020.

  • Meer tijdelijke arbeidscontracten bij laaggeschoolden

    In 2020 lag het aandeel laaggeschoolde werknemers van 25 tot 64 jaar met een tijdelijk arbeidscontract op 8,0%. Bij middengeschoolde personen bedroeg dat aandeel in 2020 5,5% en bij hooggeschoolden 5,7%. Bij laaggeschoolden steeg het aandeel met een tijdelijk contract in de periode 1999-2020, met vrij grote schommelingen. Bij midden- en hooggeschoolden daalde het aandeel tot in 2009 en steeg daarna weer. De schommelingen waren minder groot dan bij laaggeschoolden.

  • Hoogste aandeel tijdelijke arbeidscontracten bij alleenstaanden met kinderen

    Het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract bij alleenstaanden zonder kinderen ten laste lag in 2020 op 8,3% tegenover 6,4% in 2012. Bij alleenstaanden met kinderen schommelde dat aandeel in de periode 2012-2020 rond 10%. Met een aandeel van 9,9% kent deze groep het hoogste cijfer van alle huishoudtypes. Van de koppels zonder kinderen had in 2020 5,8% een tijdelijk contract, tegenover 5,2% in 2012. Bij koppels met kinderen verhoogde het aandeel met een tijdelijk arbeidscontract van 5,6% in 2012 tot 6,9% in 2020.

  • Hoger aandeel tijdelijke contracten bij werknemers geboren buiten de EU

    In 2020 lag het aandeel met een tijdelijk arbeidscontract bij werknemers geboren in België in 2020 op 7,2%, tegenover 6,3% in 2007. Bij werknemers geboren in een ander land van de Europese Unie (EU28) bedroeg het aandeel met een tijdelijk contract in 2020 9,7%, even hoog als in 2007. De curve vertoont wel grote schommelingen tijdens de periode 2007-2020. Bij werknemers geboren buiten de EU28 lag het aandeel met een tijdelijk contract in 2020 op 15,1%, tegenover 16,5% in 2007. Het aandeel lag in de hele periode hoger dan bij de 2 andere groepen.

  • Aandeel tijdelijke contracten in Vlaams Gewest ver onder EU-gemiddelde

    In 2020 lag het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract in het Vlaamse Gewest (7,9%) lager dan in het Waalse Gewest (10,6%) en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (13,7%).

    In de Europese Unie (EU27) lag het aandeel werknemers met een tijdelijk contract in 2020 gemiddeld op 12,6%. Dat is veel hoger dan in het Vlaamse Gewest. Spanje kende met 23,8% het hoogste aandeel werknemers met een tijdelijk contract, gevolgd door Polen (18,1%) en Portugal (17,4%). Litouwen (1,1%) had het laagste percentage met een tijdelijk contract, voorafgegaan door Roemenië (1,2%), Estland (2,5%) en Letland (2,7%).

Bronnen

Definities

Tijdelijk arbeidscontract: een arbeidscontract van bepaalde duur (in overheids- en privésector) of een arbeidscontract in een specifiek stelsel, gebaseerd op bepaalde vastgelegde criteria. Een tijdelijk arbeidscontract staat tegenover een vast arbeidscontract. Dat is een vaste benoeming bij de overheid of een arbeidscontract van onbepaalde duur in de overheids- of privésector.

Publicatiedatum

22 april 2021

Volgende update

april 2022

Meer cijfers

Contact

Vorige versies